Vergroot contrast

Artikel 43 Wbp

Wbp Naslag > Hoofdstuk 7 > Artikel 43

 

WETTEKST
 
De verantwoordelijke kan de artikelen 9, eerste lid, 30, derde lid, 33, 34 en 35 buiten toepassing laten voor zover dit noodzakelijk is in het belang van:
a. de veiligheid van de staat;
b. de voorkoming, opsporing en vervolging van strafbare feiten;
c. gewichtige economische en financiële belangen van de staat en andere openbare lichamen;
d. het toezicht op de naleving van wettelijke voorschriften die zijn gesteld ten behoeve van de belangen, bedoeld onder b en c, of
e. de bescherming van de betrokkene of van de rechten en vrijheden van anderen.
 
 
TOELICHTING
 
Beginselen waarvoor de uitzondering kan gelden
Het recht op bescherming van de persoonsgegevens kan niet in absolute zin worden geformuleerd. De samenleving kan niet functioneren wanneer niet onder bepaalde omstandigheden op de vastgestelde beginselen een uitzondering kan worden gemaakt. De mogelijkheid een uitzondering te maken geldt inzake:
het beginsel van het verenigbaar gebruik, te weten de verenigbaarheid met het oorspronkelijk doel waarvoor de gegevens zijn vergaard (artikel 9), de algemene informatieplicht jegens een ieder, ongeacht zijn belang, over verwerkingen van persoonsgegevens (artikel 30, derde lid), de informatieplicht tegenover de betrokkene in geval van verwerking van hem betreffende gegevens (de artikelen 33 en 34) en de uitoefening van het recht op kennisneming (artikel 35) aan welke bepaling de uitoefening van het recht op verbetering is verbonden. (II, nr. 3, blz. 170-172)
 
Gronden voor uitzondering: slechts indien noodzakelijk
De gronden om een uitzondering te maken zijn in de bepaling zelf opgenomen. De toepasselijkheid van deze gronden is onderworpen aan het "noodzakelijkheids"-criterium. Onder punt 4.2 van het algemeen deel van deze toelichting zijn wij daarop reeds ingegaan. Een strikte uitleg van dit begrip is aangewezen daar de gronden zelf slechts in algemene zin kunnen worden geformuleerd. Het betreft de veiligheid van de staat, de criminaliteitsbestrijding, de overheidsfinanciën en economische belangen van de overheid, de toezichthoudende taak van de overheid en als sluitstuk in algemene zin de bescherming van de betrokkene of van de rechten en vrijheden van anderen. (II, nr. 3, blz. 170-172)
 
Noodzakelijk: proportionaliteit en subsidiariteit
De inbreuk op de belangen van de bij de verwerking van persoonsgegevens betrokkene mag niet onevenredig zijn in verhouding tot het met de verwerking te dienen doel. Deze toets speelt een rol wanneer het gaat om de toepassing van de uitoefening van een bevoegdheid tot het verkrijgen van persoonsgegevens, waarbij een inbreuk op een grondrecht aan de orde is. Zij vergt een belangenafweging aan de hand van de omstandigheden van het concrete geval. Er moet telkens sprake zijn van 'a fair balance that has to be struck between the demands of the general interest and the interest of the individual'.[...] Het doel waarvoor de persoonsgegevens worden verwerkt dient in redelijkheid niet op een andere, voor de bij de verwerking van persoonsgegevens betrokkene minder nadelige wijze te kunnen worden verwerkelijkt. Op degene die persoonsgegevens verwerkt rust de plicht om binnen redelijke grenzen een inbreuk op de persoonlijke levenssfeer van anderen te vermijden dan wel zo beperkt mogelijk te houden. Deze plicht omvat een tweetal aspecten. Allereerst dient men af te zien van de verwerking van persoonsgegevens indien hetzelfde doel ook langs andere weg en met minder ingrijpende middelen kan worden gerealiseerd, bij voorbeeld door de vergaring van anonieme gegevens. Wordt desondanks tot gegevensverwerking overgegaan, dan is van belang dat degene die gegevens wil verwerken in redelijkheid alle eventuele bestaande mogelijkheden benut om de inbreuk op de persoonlijke levenssfeer van betrokkenen te beperken.
[...] Op veel plaatsen in het wetsvoorstel wordt de verwerking van gegevens gebonden aan het noodzakelijkheidscriterium. De norm behelst in die gevallen de noodzakelijkheidstoets in relatie tot een welbepaald, concreet aangeduid of nader aan te duiden doel. (II, nr. 3, 4.2)
 
Bescherming van betrokkene of rechten en vrijheden van anderen
De verschillende gronden spreken overigens voor zich. Wij gaan slechts nader in op een aspect van de laatste uitzondering: de bescherming van de betrokkene of van de rechten en vrijheden van anderen. Naar aanleiding van het advies van de Registratiekamer komt de formulering thans overeen met die van artikel 13, eerste lid, onderdeel g, van de richtlijn en artikel 9, tweede lid, onderdeel b, van het Verdrag inzake gegevensbescherming. Daarbij is wat betreft het recht op kennisneming in zekere zin een aanscherping beoogt van het huidige artikel 30, onder e, van de WPR, waar wordt gesproken van "gewichtige belangen van anderen dan de verzoeker, de houder daaronder begrepen". De voorgestelde formulering sluit beter aan bij artikel 8, tweede lid, van het EVRM en de daarop gebaseerde jurisprudentie. Niet ieder gewichtig belang van een ander dan de verzoeker zal kunnen worden aangemerkt als een recht of vrijheid in de zin van dit verdrag. (II, nr. 3, blz. 170-172)
 
Voorbeeld de recherchebureaus.
De opdrachtgever dient een gerechtvaardigd belang te hebben bij het vergaren van gegevens door het recherchebureau over de betrokkene. Zie ook de toelichting bij artikel 6 (MvA, I, nr. 92c, blz. 14-15).
 
Administratieve lasten in beginsel geen in breuk op rechten en vrijheden
Een ander verschil tussen artikel 43, onder e, en artikel 30, onder e, WPR is dat in laatstgenoemde bepaling de verantwoordelijke (onder de WPR: de houder) nog uitdrukkelijk wordt genoemd. Hiermee wordt evenwel geen inhoudelijke wijziging beoogd. Buiten twijfel staat dat in onderdeel e onder "anderen" ook de verantwoordelijke moet worden begrepen. De in de vorige alinea bedoelde aanscherping geldt ook voor de verantwoordelijke. Dit betekent bijvoorbeeld dat de verantwoordelijke niet uitsluitend op grond van zijn belang om administratieve lasten te beperken, een verzoek om informatie als bedoeld in artikel 35, eerste lid, zal mogen afwijzen. De verantwoordelijke zal conform artikel 43, onder e, aannemelijk moeten maken dat door inwilliging van een dergelijk verzoek de administratieve lasten zodanig disproportioneel zijn dat hij in een van zijn rechten en vrijheden wordt aangetast of dreigt te worden aangetast. Aldus impliceert artikel 43, onder e, ten opzichte van de huidige WPR een verzwaring van de bewijslast voor de verantwoordelijke.
 
Niet uit te sluiten valt dat honorering van een inzageverzoek van betrokkene tevens enig inzicht zal geven in gegevens die op anderen betrekking hebben.[...] Dit kan bijvoorbeeld het geval zijn indien bij de registratie van gegevens over de betrokkene tevens wordt aangegeven van wie die gegevens afkomstig zijn. Onder omstandigheden zal de verantwoordelijke verplicht zijn ook deze gegevens te verstrekken.[...] Verstrekking van dergelijke informatie aan de betrokkene op grond van artikel 35 kan derhalve niet worden uitgesloten. Op grond van de belangenafweging die de verantwoordelijke zal hebben te verrichten, zal moeten worden bezien of inzage kan worden toegestaan en zo ja, in hoeverre in verband met de rechten en vrijheden van anderen als bedoeld in artikel 43 afscherming van op anderen betrekking hebbende informatie dient plaats te vinden. In verband met het waarborgen van de belangen van derden in deze afweging zij voorts verwezen naar het derde lid. (II, nr. 3 blz. 158)
 
Beperking inzagerecht op grond van administratieve lasten
Voor zover het inzagerecht betreft, valt overigens te wijzen op de inherente beperking die reeds ingevolge artikel 35, eerste lid, uit de formulering van het recht zélf voortvloeit. In laatstgenoemd artikel wordt immers bepaald dat betrokkene zijn verzoek om informatie slechts mag doen "met redelijke tussenpozen". Voor zover de administratieve lasten voor de verantwoordelijke voortvloeien uit de hoge frequentie waarmee een specifieke betrokkene verzoeken tot een bepaalde verantwoordelijke richt, kunnen deze reeds op grond van artikel 35, eerste lid, worden beperkt. (II, nr. 3, blz. 170-172)
 
De vraag rijst hoe nauwkeurig een verzoek om inlichtingen omtrent gegevensverwerking moet zijn. Een onbestemde vraag naar een opgave van alle gegevensverwerkingen van een verantwoordelijke kan voor de beantwoording daarvan van deze verantwoord een onevenredige inspanning vergen. Hij kan in dergelijke gevallen - alvorens het verzoek in behandeling te nemen - eerst van de verzoeker verlangen zijn vraag te preciseren. Voldoet deze laatste daaraan niet, dan kan in voorkomend geval de verantwoordelijke de vraag terzijde leggen als zijnde een vorm van misbruik van recht. De verantwoordelijke kan zich dan beroepen op artikel 43, onderdeel e, van dit wetsvoorstel: een gewichtig belang aan zijn kant staat aan inwilliging van het verzoek in de weg. De inspanning die de verantwoordelijke zou moeten leveren om de vraag te beantwoorden, kan hiertoe aanleiding geven, maar niet de aard van de gegevensverwerking. Evenmin is vereist dat de verzoeker een belang aantoont of zelf als betrokkene zou moeten worden aangemerkt. (II, nr. 3 blz. 143)
 
Verenigbaar gebruik
Het artikel verschaft ook de mogelijkheid af te wijken van het beginsel van het verenigbaar gebruik (artikel 9). Artikel 9 bepaalt dat persoonsgegevens enkel mogen worden verwerkt voor een doel dat verenigbaar is met het doel waarvoor ze zijn verzameld. Onder omstandigheden is het mogelijk ook af te wijken van een dergelijk verenigbaar doel en dus gegevens te verwerken voor een doel dat niet alleen afwijkt van het doel waarvoor ze verzameld zijn, maar daarmee ook onverenigbaar is. Artikel 43 geeft daarvoor de nadere voorwaarden: de verwerking dient noodzakelijk te zijn voor één van de gronden die in dat artikel zijn opgesomd. (II, nr. 3, blz. 170-172)
 
Op grond van deze bepaling (artikel 43) kan conform artikel 13 van de richtlijn de eis van verenigbaar gebruik worden doorbroken voor zover dat noodzakelijk is in het belang van een van de aldaar opgesomde doeleinden. Het gaat hier evenwel om uitzonderingen: artikel 43 dient restrictief te worden geïnterpreteerd. (II nr. 3 blz. 92)
 
Uitzonderingsgronden: afweging in concreet geval
De interpretatie van het begrip "onevenredig" vergt een afweging van belangen waarvan de uitkomst niet op voorhand vaststaat. Hetzelfde geldt voor de toepasselijkheid van de uitzonderingsgronden van artikel 43. (II, nr. 3 blz. 15)
 
De uitzondering op de informatieplicht van artikel 33 of 34, die artikel 43 biedt, wanneer het gaat om de voorkoming of opsporing van strafbare feiten, beperkt zich dan weer evenwel tot het individuele geval van een concrete verdenking van een strafbaar feit. (II nr. 6, blz. 51)
 
Betrokkene kan het CBP vragen de juiste toepassing van art. 43 te onderzoeken
De betrokkene die de wijze waarop zijn gegevens worden verwerkt onrechtmatig vindt, moet in staat zijn dit zelf in rechte aan te vechten. Het gaat om het grondrecht vermeend onrecht ter toetsing aan de rechter voor te kunnen leggen (artikel 13 EVRM). Hij moet zich daartoe, zonder geconfronteerd te worden met bovenmatige kosten, tot de verantwoordelijke kunnen wenden (zie ook de toelichting op het begrip "verantwoordelijke" in artikel 1, onder d). Daar waar er ingevolge artikel 43 uitzonderingen gelden op dit beginsel, kan hij de tussenkomst van de Registratiekamer inroepen. (II, nr. 3 blz.. 57)
 
Verhouding van artikel 43 Wbp tot artikelen 11, lid 2 en 30 WPR
De bepaling gaat terug op artikel 9, tweede lid, van het Verdrag inzake gegevensbescherming en artikel 13, eerste lid, van de richtlijn. Het artikel sluit aan bij de artikelen 11, tweede lid, en 30 van de WPR. Wat betreft de afwijking van het verenigbaar gebruik op grond van een dringende en gewichtige reden als bedoeld in artikel 11, tweede lid, van de WPR is deze bepaling vorm gegeven overeenkomstig de richtlijn zonder daarmee een inhoudelijke wijziging te beogen. Artikel 11, tweede lid, van de WPR en de desbetreffende bepaling in de richtlijn steunen ook beide op hetzelfde artikel 9, tweede lid, onder a, van het Verdrag inzake gegevensbescherming. (II, nr. 3, blz. 170-172)
 
Meer in het algemeen kan worden gesteld dat sprake is van onverenigbaar gebruik indien private bedrijven de klantgegevens die zij voor commerciële doeleinden bijhouden, ter beschikking stellen ten behoeve van de opsporing van strafbare feiten of andere publieke belangen. Daarom is in artikel 43 de mogelijkheid geopend voor die doeleinden een uitzondering op de verenigbaarheidseis van artikel 9 te maken. In beginsel zullen in het Wetboek van Strafvordering de bevoegdheden van de overheid voor de opsporing moeten worden geregeld. Dit laat onverlet dat op grond van artikel 43 in uitzonderlijke en spoedeisende gevallen, wanneer het optreden van door de wet aangewezen autoriteiten niet kan worden afgewacht, medewerking kan worden verleend. Dit vloeit voort uit het in dat artikel opgenomen woord "noodzakelijk" en het daarin besloten liggende begrip "subsidiariteit": indien een andere, minder op de persoonlijke levenssfeer inbreuk makende weg open staat, bijvoorbeeld waar de justitiële autoriteiten een belangenafweging op grond van wettelijke criteria maken, dient die weg te worden gevolgd. Deze situatie komt overeen met de verstrekking "op grond van een dringende en gewichtige reden" zoals bedoeld in artikel 11, tweede lid, Wpr. Zo regelen ook de belastingwetten de verplichtingen om gegevens ter beschikking te stellen aan de fiscus, ook al is dit vaak onverenigbaar met het doel waarvoor de gegevens zijn verzameld. (II, nr. 6 blz. 31-32)
 
De artikelen 43 en 44 bevatten in de bewoordingen van de richtlijn de uitzonderingen en beperkingen op de eerder genoemde beginselen. Zij herhalen in andere bewoordingen de inhoud van de artikelen 11, tweede lid, en 18, derde lid, WPR. Deze uitzonderingen gaan alle terug op artikel 9 van het Verdrag inzake gegevensbescherming uit 1981. Zij volgen de regeling van de richtlijn. (II, nr. 11, blz. 5)
 
Uitzondering noodzakelijk voor opsporing strafbare feiten
Verspreiding van persoonsgegevens overeenkomstig het doel waarvoor de gegevens oorspronkelijk zijn vergaard of voor daarmee verenigbare doelen, moge onder omstandigheden ruim zijn, het impliceert desondanks een soms te knellende beperking. Dan komen weer de uitzonderingen in beeld als omschreven in artikel 43, bijvoorbeeld ten behoeve van de opsporing van strafbare feiten. Deze vinden hun regeling in het Wetboek van Strafvordering.(I, 92 c, blz. 4)
 
Indien bijvoorbeeld in afwijking van de gedragscode op grond van artikel 43 van de wet voor de opsporing van een ernstig strafbaar feit aan de politie persoonsgegevens zouden worden verstrekt, is deze bepaling een toereikende grond om uitzondering te maken op de algemene regels van de gedragscode. Aan een dergelijke verstrekking staat het ontbreken van een vergelijkbare bepaling in de gedragscode niet in de weg. (I, 92 c, blz. 11)
 
 
 
JURISPRUDENTIE
 

Zakelijke weergave persoonsgegevens verzoeker inzageverzoek
Chirurg had inzage verzocht in het dossier van IGZ naar zijn functioneren. Verklaringen van derden werden achterwege gelaten op grond van artikel 43, onder e, Wbp. RvS: Verklaringen mochten niet in het geheel op grond van artikel 43 achterwege worden gelaten. Per document moet een zakelijke weergave worden gegeven van de persoonsgegevens van de verzoeker.
RvS 30 april 2014, ECLI:NL:RVS:2014:1509

Heimelijk cameratoezicht door werkgever
Werkgever had heimelijk cameratoezicht ingezet om verduistering uit magazijn te onderzoeken.
Rechtbank geeft aan dat, bij gebreke aan enige concrete aanwijzingen omtrent daders en gezien het belang van geheimhouding van het onderzoek, niet valt in te zien waarom werkgever voor een minder vergaande onderzoeksmethode had kunnen, laat staan moeten kiezen. Voorts was hier sprake van een uitzonderingssituatie als bedoeld in artikel 43, sub b, Wbp, namelijk verwerking die noodzakelijk was ter voorkoming, opsporing of vervolging van strafbare feiten.
Rechtbank Rotterdam 27 maart 2013, LJN: BZ6071
 
Belangen van schuldeisers in een faillissement
Er kan een weigeringsgrond gelegen zijn in een beroep op vertrouwelijkheid ter bescherming van de rechten of belangen van derden. Het belang van derden (i.c. schuldeisers), die de curator vertrouwelijke informatie over de gefailleerde of zijn vermogen hebben gegeven, kan aan inzage van de daarop betrekking hebbende stukken in de weg staan.
Gerechtshof Leeuwarden 8 januari 2013, LJN: BZ1829

Grondslag voor vrijwillige verstrekking aan opsporingsinstantie
Indien beelden van bewakingscamera´s verstrekt zijn op eigener beweging en vrijwillige basis is geen vordering art. 126nd Sv vereist. Artikel 8, aanhef en e Wbp is de grondslag voor overdracht door het ene bestuursorgaan aan het andere. Voor ter beschikking stelling door een niet bestuursorgaan kan aan art. 43 jo. Art 9 Wbp een grondslag worden ontleend.
HR 27 november 2012, LJN: BY0215

Volledig overzicht van namen van degenen die medisch dossier hebben geraadpleegd
Patiënt heeft recht op een volledig overzicht van namen van degenen die het medisch dossier in een systeem voor elektronische patiëntendossiers hebben geraadpleegd, tenzij een gemotiveerd beroep kan worden gedaan op artikel 43, aanhef en onder e, van de Wbp.
ABRvS 30 november 2011, ECLI:NL:RVS:2011:BU6383

Indrukken, meningen, onderzoeksresultaten en conclusies neergelegd in adviezen
Het in artikel 36, eerste lid, van de Wbp geregelde correctierecht is niet bedoeld om indrukken, meningen, onderzoeksresultaten en conclusies neergelegd in adviezen, zoals een individueel ambtsbericht, waarmee de betrokkene zich niet kan verenigen, te corrigeren of te verwijderen.
ABRvS 3 februari 2010, LJN: BL1852
 
Bescherming van de intellectuele-eigendomsrechten in de informatiemaatschappij
Artikel 15 E-Privacyrichtlijn juncto artikel 13 lid 1 van de Algemene privacyrichtlijn verzet zich niet tegen de verplichting van een ISP om NAW-gegevens van inbreukmakende abonnees te verstrekken aan een belanghebbende.
EHvJ 29 januari 2008, C-275/06
 
Administratieve lasten artikel 43, aanhef en onder e, Wbp
Slechts indien de verantwoordelijke aannemelijk maakt dat de met het verstrekken van kopieën of transcripties van telefoongesprekken gemoeide administratieve lasten zodanig disproportioneel zijn, dat hij in een van zijn rechten en vrijheden wordt aangetast of dreigt te worden aangetast, kan de verantwoordelijke weigeren om de verzochte kopieën en transcripties te verstrekken.
Hoge Raad 29 juni 2007, LJN: AZ4664
 
Aan de gronden voor opname in een incidentenregister dienen hoge eisen gesteld te worden
Gelet op de verstrekkende consequenties voor personen die in een incidentenregister staan opgenomen, dienen er hoge eisen gesteld te worden aan de gronden voor opname in het incidentenregister. Het enkele feit dat er tegen betrokkenen aangifte is gedaan van een strafbaar feit maakt nog niet dat opname in een incidentenregister rechtmatig is (op de voet van artikel 43 Wbp).
Gerechtshof Amsterdam 12 januari 2006, LJN: AV8245
 
Rechtbank stelt zich terughoudend op bij belangenafweging
De rechtbank wijst erop dat zij zich bij de toetsing van de belangenafweging door een verantwoordelijke terughoudend dient op te stellen. Beoordeeld moet worden of er sprake is van een zodanige onevenwichtigheid bij de afweging van de betrokken belangen, dat moet worden geoordeeld dat een verantwoordelijke in redelijkheid niet tot zijn besluit had kunnen komen.
Rechtbank 's-Hertogenbosch 31 maart 2005 LJN: AT3148
 
Openbaarmaking salarisgegevens
Openbaarmaking salarisgegevens. Deze inmenging in de zin van art. 8 EVRM kan gerechtvaardigd zijn voorzover deze noodzakelijk en passend is ter bereiking van het doel. De artikel 6 lid 1 sub c en 7 sub c en e van de richtlijn hebben rechtstreekse werking.
EHRM 20 mei 2003, 62000J0465