Vergroot contrast

Artikel 8 sub f Wbp

Wbp Naslag > Hoofdstuk 2 > Artikel 8.f

 

WETTEKST
 
f. de gegevensverwerking noodzakelijk is voor de behartiging van het gerechtvaardigde belang van de verantwoordelijke of van een derde aan wie de gegevens worden verstrekt, tenzij het belang of de fundamentele rechten en vrijheden van de betrokkene, in het bijzonder het recht op bescherming van de persoonlijke levenssfeer, prevaleert.

 

  

TOELICHTING
 
Algemeen
Ingevolge dit onderdeel is een gegevensverwerking geoorloofd indien deze noodzakelijk is voor de behartiging van een gerechtvaardigd belang van de verantwoordelijke of van een derde aan wie de gegevens worden verstrekt, tenzij het belang of de fundamentele rechten en vrijheden van de betrokkene, in het bijzonder het recht op bescherming van de persoonlijke levenssfeer, doorslaggevend zijn. Onderdelen b tot en met e van artikel 8 zijn specifiek daar steeds een bepaald doel wordt genoemd waaraan moet worden getoetst. Onderdeel f is met de verwijzing naar een gerechtvaardigd belang van de verantwoordelijke, welk belang dan ook, veel algemener van aard en daarmee in wezen een soort restbepaling. In de praktijk blijkt dat een sluitende regeling van de gronden van verwerking van persoonsgegevens niet goed mogelijk is.(II, nr. 3, blz. 86)
 
Gerechtvaardigd belang
Bedrijfsbelang
In de eerste plaats vereist onderdeel f dat er sprake is van een gerechtvaardigd belang van de verantwoordelijke of van een derde. Een gerechtvaardigd belang van de verantwoordelijke kan aanwezig worden geacht in het geval dat de betreffende verwerking voor laatstgenoemde noodzakelijk is om zijn reguliere bedrijfsactiviteiten te kunnen verrichten.
De verantwoordelijke kan zijn beroep of bedrijf niet goed uitoefenen indien hem de mogelijkheid zou worden ontzegd de met het oog daarop noodzakelijke gegevens te verwerken. (II, nr. 3, blz. 86)
 
Vraag is in hoeverre het bedrijfsbelang moet worden beschouwd als een gerechtvaardigd belang in de zin van artikel 8, onder f. Dit is in beginsel inderdaad het geval. Zoals reeds in de toelichting is uiteengezet, vindt een dergelijke interpretatie rechtstreeks steun in de richtlijn. In overweging 30 van de richtlijn is uitdrukkelijk verklaard dat persoonsgegevens in het kader van wettige activiteiten, zoals «het dagelijkse beheer van ondernemingen en andere organisaties» in beginsel kunnen worden gebruikt en aan derden verstrekt. Dat betekent evenwel niet dat elke activiteit in dat kader geoorloofd is. Artikel 8, onder f, eist immers evenzeer dat steeds een afweging zal moeten plaatsvinden tegenover de gerechtvaardigde belangen van de betrokkene. Gegevensverwerking voor bedrijfsdoeleinden is alleen dan rechtmatig indien zij voor dat doel noodzakelijk is en het belang of de fundamentele rechten van de betrokkene niet prevaleert. De wet verplicht niet tot het afzien van gegevensverwerkingen die voor een behoorlijk functioneren van een commercieel bedrijf noodzakelijk zijn, zolang is rekening gehouden met de gerechtvaardigde belangen van betrokkenen. (II, nr 6 blz. 17)
 
De particuliere belangen die tot gegevensverwerking aanleiding kunnen geven zijn zodanig divers van aard dat een concretisering in het kader van een algemene, voor alle maatschappelijke sectoren geldende privacywet niet mogelijk is. Artikel 8, onder f, dient dan ook veeleer als een algemeen afwegingskader dan als een concreet gedragsvoorschrift te worden beschouwd. Ook in EU-verband geldt deze norm als het maximaal haalbare resultaat. Dit laat onverlet dat de richtlijn een zekere indicatie geeft omtrent de vraag welke belangen als gerechtvaardigd dienen te worden beschouwd. Overweging 30 van de richtlijn noemt in dit verband expliciet het dagelijks beheer van ondernemingen en andere organisaties, alsmede direct marketing door een liefdadige instelling of door andere verenigingen of stichtingen, bijvoorbeeld van politieke aard. Voor specifieke sectoren kan een nadere invulling plaatsvinden door middel van zelfregulering of sectorale wetgeving. Overigens wijzen wij erop dat alleen een gerechtvaardigd belang niet voldoende is. Gegevensverwerking is blijkens artikel 8, onder f, alleen toelaatbaar indien deze met het oog op het desbetreffende belang ook «noodzakelijk» is. De plicht om de noodzaak van de verwerking aan te tonen berust bij de verantwoordelijke. (II, nr. 13, blz. 6)
 
Fraudebestrijding en direct marketing
Ondersteunende en nauw verwante activiteiten: fraudebestrijding en direct marketing.
Ook ten aanzien van gegevensverwerkingen die weliswaar geen onderdeel uitmaken van de reguliere bedrijfsactiviteiten van de verantwoordelijke maar deze wel in wezenlijke zin ondersteunen, kan in de regel worden aangenomen dat de verantwoordelijke een gerechtvaardigd belang heeft. Als voorbeeld kan worden genoemd de gegevensverwerking in het bedrijf in het kader van fraudebestrijding en intern marktonderzoek. Een gegevensverwerking kan ook geschieden in het kader van activiteiten die weliswaar geen (direct) onderdeel uitmaken van de kernactiviteiten van de verantwoordelijke maar daar nauw mee verweven zijn. Een voorbeeld is wanneer een bedrijf zijn cliëntgegevens wil benutten voor het doen van een mailing om een nieuw produkt onder hun aandacht te brengen (direct marketing). Ook dan kan in beginsel een gerechtvaardigd belang van de verantwoordelijke worden aangenomen. (II, nr. 3, blz. 87)
 
In de regel moet een rechtvaardiging voor gegevensverwerking aanwijsbaar zijn in de individuele persoon over wie gegevens worden vergaard. Dit leidt uitzondering indien bijvoorbeeld een bedrijf daadwerkelijk wordt of dreigt te worden geconfronteerd met stelselmatige fraude waarvan hijzelf slachtoffer is. Onder dergelijke omstandigheden kan een gegevensverwerking met het oog op fraudebestrijding ten aanzien van alle klanten gerechtvaardigd zijn. Zie ook artikel 22, tweede lid, onder b, dat onder deze omstandigheden het verbod opheft om dergelijke strafrechtelijke gegevens te verwerken, waardoor de hier aan de orde zijnde toets aan artikel 8, onder f, mogelijk wordt: een voorbeeld van de gelaagdheid van de wet. De uitzondering op de informatieplicht van artikel 33 of 34, die artikel 43 biedt, wanneer het gaat om de voorkoming of opsporing van strafbare feiten, beperkt zich dan weer evenwel tot het individuele geval van een concrete verdenking van een strafbaar feit. (II, nr. 6, blz. 34)
 
Doelspecificatie
Het hebben als hoofdactiviteit het verwerken van gegevens, zonder nadere precisering van het doel waarvoor wordt verwerkt, wordt niet gedekt door deze bepaling. Het verwerken van persoonsgegevens, of onderdelen daarvan zoals het desgevraagd verstrekken, het verkrijgen van inzicht e.d., kan geen gerechtvaardigd doel in zichzelf zijn. Enige toets of een bepaalde vorm van gebruik al dan niet verenigbaar is met het oorspronkelijk doel van verzamelen, zou daardoor immers onmogelijk worden. Een handelsinformatieburo dat gegevens verwerkt om derden - al dan niet tegen betaling - te informeren over de kredietwaardigheid van derden, heeft wel een toereikende doelstelling.(II, nr. 6, blz. 34)
 
Toetsingskader
In overweging 30 (van de Richtlijn) komt tot uitdrukking dat persoonsgegevens in het kader van wettige activiteiten, zoals «dagelijks beheer van ondernemingen en andere organisaties», in beginsel kunnen worden gebruikt en aan derden verstrekt. Cruciaal is evenwel dat de toelaatbaarheid van de gegevensverwerking door diezelfde richtlijn begrensd wordt: de verwerking is uitsluitend toelaatbaar indien zij noodzakelijk is met het oog op belang van de verantwoordelijke of een derde én het belang van degene van wie de gegevens worden verwerkt niet prevaleert. De bepaling impliceert een motiveringsplicht voor de verantwoordelijke. Hij dient voor zichzelf verschillende vragen te beantwoorden, zoals:
    • Is er werkelijk een belang dat verwerking van persoonsgegeven rechtvaardigt?
    • Wordt met de verwerking een inbreuk gemaakt op belangen of fundamentele rechten van degene wiens gegevens worden verwerkt en zo ja, dient dan - afhankelijk van de ernst van de inbreuk - gegevensverwerking niet achterwege te blijven?
    • Kan het doel dat met de verwerking wordt nagestreefd ook langs andere weg - zonder verwerking - worden bereikt?
    • Is de verwerking in de mate die is beoogd evenredig aan het nagestreefde doel?
De noodzakelijkheidseis die in artikel 8 besloten ligt, veronderstelt dat de verantwoordelijke op dergelijke vragen een bevredigend antwoord heeft. Desgevraagd dienen deze antwoorden ook zichtbaar te worden gemaakt, zodat zij eventueel door de rechter kunnen worden getoetst. (II, nr.3, blz. 86)
 
Noodzakelijk
In het algemeen deel van de toelichting bij dit artikel is al ingegaan op het belang van artikel 8, onder f. Wij wezen erop dat deze verwerkingsgrond ten opzichte van de WPR, in de private sector een aanscherping van mogelijkheden oplevert om gegevens te verwerken: niet meer de verwerkingen waartoe het belang van de verantwoordelijke dat redelijkerwijs aanleiding geeft (artikel 4 WPR), maar de noodzaak van de behartiging van diens gerechtvaardigd belang, dient voortaan de grondslag voor de gegevensverwerking te zijn. Dit laatste criterium gold krachtens de WPR alleen voor de publieke sector. (II, nr. 3, blz. 88/89)
Daarnaast moet de gegevensverwerking noodzakelijk zijn ten behoeve van het gerechtvaardigd belang van de verantwoordelijke (of een derde). Kunnen hun belangen anderszins of met minder ingrijpende middelen worden gediend, dan is de voorgenomen gegevensverwerking niet toegestaan. Hier spelen wederom het proportionaliteits- en subsidiariteits-beginsel een rol. Evenals bij de gronden b tot en met e dient de noodzaak in de uiteengezette zin in verhouding tot het doel te worden beoordeeld. Dat betekent dat, alle belangen in ogenschouw genomen, de voorgenomen gegevensverwerking als noodzakelijk voor het doel moet worden beschouwd.(II, nr. 3, blz. 87)
In het algemeen wijzen wij erop dat gegevensverwerkingen die nodig zijn om een organisatie naar behoren te laten functioneren, door dit criterium worden gedekt. De [...]verwerking om een schatting te kunnen maken van de productie, wordt hierdoor gedekt, aannemende dat een dergelijke schatting zonder persoonsgegevens niet, althans niet zonder onevenredig veel extra kosten, kan worden gemaakt. Kan een schatting worden gemaakt die wellicht iets minder nauwkeurig is doch evenzeer aanvaardbaar voor het doel waarvoor die wordt gemaakt, doch waarbij een massale vorm van verwerking van persoonsgegevens kan worden vermeden, dan staat deze bepaling evenwel aan een dergelijkeverwerking weer in de weg. (II, nr. 6, blz. 34)
 
Privacytoets
De bepaling schrijft in aanvulling op de eerste afweging (noodzakelijk voor een gerechtvaardigd belang van de verantwoordelijke), waarbij mogelijk de belangen van de betrokkene als onderdeel van een veelheid van belangen reeds onder ogen zijn gezien, nog een tweede toets voor. Deze tweede toets vergt een nadere afweging, waarbij de belangen van de betrokkene een zelfstandig gewicht in de schaal leggen tegenover het belang van de verantwoordelijke. Met deze tweede toets wordt nog eens extra de nadruk gelegd op het proportionaliteitsvereiste. Deze extra toets is aan het slot van het voorschrift opgenomen door middel van de zinsnede «tenzij het belang of de fundamentele rechten en vrijheden van de betrokkene, in het bijzonder het recht op bescherming van de persoonlijke levenssfeer, prevaleert». (II, nr. 3, blz. 87)
Dit betekent niet dat op voorhand de belangen van de betrokkene zwaarder moeten wegen, doch slechts dat een hernieuwde aangescherpte toets, waarbij de belangen van de betrokkene afzonderlijk moeten worden gewogen. Indien de betrokkene geen belang heeft bij de door de verantwoordelijke voorgestane gegevensverwerking, behoeft dit geenszins te betekenen dat daarmee de gegevensverwerking ongeoorloofd is. Verantwoordelijke en betrokkene kunnen tegengestelde belangen hebben bij een gegevensverwerking. [...] Alleen in het geval dat het belang van de betrokkene op bescherming van zijn persoonlijke levenssfeer doorslaggevend is dient de verantwoordelijke af te zien van de gegevensverwerking. (II, nr. 3, blz. 87)
 
Onderzoeksplicht verantwoordelijke
De verantwoordelijke dient de belangen af te wegen zoals deze aan hem bekend zijn. Indien de omstandigheden daartoe aanleiding geven zal van hem kunnen worden verwacht nader onderzoek te doen naar het gewicht van deze belangen. De afweging zal in dit stadium evenwel in de regel een meer algemeen karakter hebben. Kan een individuele betrokkene aanspraak maken op een andere uitkomst van deze afweging op gronden die de verantwoordelijke niet kende en niet behoefde te kennen, dan kan de betrokkene deze nadere afweging in zijn geval op de door aangedragen gronden afdwingen via het recht van verzet als bedoeld in artikel 40. (II, nr. 3, blz. 87/88)
 
Waarborgen voor betrokkene
Bij de in onderdeel f voorgeschreven afweging speelt een rol de mate van gevoeligheid van de gegevens die de verantwoordelijke wil verwerken en de maatregelen die de verantwoordelijke heeft genomen ten einde rekening te houden met de belangen van de betrokkene. De belangen van de betrokkene zullen in mindere mate gewicht in de schaal leggen naarmate in zijn belang meer waarborgen voor een zorgvuldig gebruik van de gegevens zijn genomen. [...] Het feit dat een verantwoordelijke in een gedragscode nadere voorschriften heeft opgenomen over het gebruik dat van de gegevens wordt gemaakt en de personen aan wie ze kunnen worden verstrekt, kan eveneens een rol spelen bij de beantwoording van de vraag in het kader van onderdeel f of de verantwoordelijke een juiste afweging van belangen heeft gemaakt. (II, nr. 3, blz. 88)
 
Doorwerking grondrecht private/publieke sector
Tot de relevante omstandigheden die eveneens meewegen bij een oordeel over de door de verantwoordelijke gemaakte afweging speelt tevens een rol of het gaat om de publieke dan wel de private sector. Binnen de publieke sector geldt immers de rechtstreeks werkende grondwetsbepaling die de persoonlijke levenssfeer beschermt, mede tegen de achtergrond van de daarmee corresponderende verdragsbepalingen. Ook in gevallen dat het onderdeel zou leiden tot een inbreuk op de persoonlijke levenssfeer, en de bepaling in dat geval als een legitimerende grondslag zou moeten worden aangemerkt als bedoeld in artikel 10, eerste lid, van de Grondwet, dan nog mag in het licht van artikel 8 EVRM, deze inbreuk niet verdergaan dan noodzakelijk is.[...] De Grondwet en het EVRM beogen in eerste instantie slechts de vrijheidssfeer van de burger ten opzichte van de overheid te waarborgen. Gaat het om de private sector dan hebben de in het geding zijnde grondrechten slechts een afgeleide werking (de z.g. horizontale werking) namelijk voor zover zij uit een oogpunt van maatschappelijke zorgvuldigheid ook door burgers jegens elkaar in acht behoren te worden genomen. De werking heeft niet de volle omvang als in de publieke sector. Bij de interpretatie van het begrip «noodzakelijk» in onderdeel f speelt de vraag of het gaat om een publieke dan wel een private context daarom mede een rol. Waar dus het bestaande onderscheid in de materiële bepalingen van de Wpr tussen private en publieke sector in de tekst van het wetsvoorstel wordt opgeheven, blijft dit onderscheid bij de interpretatie van het voor beide sectoren geldende algemene norm van onderdeel f, desalniettemin relevant.(II, nr. 3, blz. 88)
 
Verwerking in belang van een derde
De verantwoordelijke kan zich een belang van een derde aantrekken en ten behoeve van dat belang gegevens die hij reeds onder zich heeft, verwerken. Een koepelorganisatie kan bijvoorbeeld in het belang van de bij haar aangesloten organisaties een registratie aanhouden van geconstateerde fraudegevallen.[...]. De verantwoordelijke kan gegevens verwerken voor een ander doel dan het oorspronkelijke waarvoor de gegevens werden vergaard, eventueel ten behoeve van een derde, voor zover het gaat om doeleinden die verenigbaar zijn met het oorspronkelijk doel. Dit brengt met zich mee dat de verwerking niet kan plaatsvinden voor een doel ofwel belang van een derde dat niet verenigbaar is met het doel waarvoor de gegevens door de verantwoordelijke zijn verzameld. Het is niet mogelijk dat de verantwoordelijke enkel uit faciliterende overwegingen gegevens ten behoeve van een derde verwerkt. Indien het doel waaraan de verantwoordelijke is gebonden bijvoorbeeld met zich brengt dat de gegevens moeten worden vernietigd kan hij deze niet meer bewaren enkel om de reden dat het verwerken van die gegevens het belang van de derde zou dienen. (II, nr. 3, blz. 89)
 
Gaat het om verstrekking aan een derde dan zou een vergelijking kunnen worden getrokken met artikel 13 Wpr dat eveneens uitgaat van het doel van een derde als grond voor een verstrekking. Het bovenstaande brengt een verruiming van het beginsel van doelbinding met zich omdat immers niet alleen het doel van de verwerking maar ook andere doeleinden, mits verenigbaar met het oorspronkelijk doel, grond kunnen zijn voor een verstrekking aan derden. Onderdeel f laat in beginsel een dergelijke verwerking toe, tenzij het belang van de betrokkene zwaarder moet wegen. In de regel zal diens belang vergen dat hij vooraf in de gelegenheid wordt gesteld bezwaar te maken tegen een dergelijke voorgenomen verstrekking, tenzij een dergelijke bekendmaking [...] van de betrokkenen een onevenredige inspanning zou vergen. Bij gegevensverwerking noodzakelijk voor de behartiging van een gerechtvaardigd belang van een derde, dient de verantwoordelijke - alvorens tot verwerking over te gaan - op de hoogte te zijn van het belang dat de derde heeft bij de gegevensverwerking en welke hem ter beschikking staande gegevens in het licht van evenbedoelde belang van betekenis zijn (zie bij voorbeeld HR 10 december 1993, NJ 1994, 667). Ongeacht de verantwoordelijkheid van de derde dient de verantwoordelijke daarbij af te wegen of de verwerking noodzakelijk is met het oog opdat belang en of het belang van de betrokkene niet dient te prevaleren. (II, nr. 3, blz. 89)

 

VOORBEELDEN
Schadeverzekeraar en tegenpartij

Een gerechtvaardigd belang van de verantwoordelijke kan aanwezig worden geacht in het geval dat de betreffende verwerking voor laatstgenoemde noodzakelijk is om zijn reguliere bedrijfsactiviteiten te kunnen verrichten.[...] Zo dient een schadeverzekeraar ten behoeve van een schadeclaim naast de gegevens van zijn cliënt ook gegevens van de tegenpartij en eventuele getuigen te kunnen verwerken. Zonder een dergelijke verwerking zou een goede dienstverlening niet goed mogelijk zijn. (II, nr. 3, blz. 86)
 
In het algemeen deel van deze memorie is reeds het voorbeeld genoemd van de schadeverzekeraar die ten behoeve van de afwikkeling van een schadeclaim naast de gegevens van zijn cliënt ook gegevens van de tegenpartij en eventuele getuigen moet kunnen verwerken. Ook in het geval iemand een levensverzekeringsovereenkomst wil sluiten te behoeve van een derde, zullen eveneens de gegevens van die derde door de verzekeraar daartoe verwerkt moeten worden. Zonder dat zou zijn dienstverlening niet goed mogelijk zijn. (II, nr. 3, blz. 86/87)
 
Analyse klantgegevens door bank
De belangen van de betrokkene zullen in mindere mate gewicht in de schaal leggen naarmate in zijn belang meer waarborgen voor een zorgvuldig gebruik van de gegevens zijn genomen. Zo kan een bank er een gerechtvaardigd belang bij hebben de betalingsverkeergegevens van bepaalde cliënten - bij voorbeeld cliënten die regelmatig op hun rekening rood staan of hoge kredieten hebben opgenomen en aflossingsproblemen hebben - te analyseren, bij voorbeeld om deze personen te kunnen adviseren met het doel hun betaalgedrag efficiënter te doen zijn. Duidelijk is dat een dergelijke analyse gerechtvaardigd is nadat de desbetreffende cliënten zijn benaderd met het verzoek een dergelijke analyse te mogen doen en zij in de gelegenheid zijn gesteld daartegen bezwaar te maken. Het ongevraagd analyseren en adviseren van de cliënt op basis van een analyse van zijn persoonlijke gegevens, zal in het algemeen niet door de onderhavige bepaling kunnen worden gedragen. (II, nr. 3, blz.88)
 
Geen gerechtvaardigd belang
Voorbeelden van gegevensverwerking waarbij beslist geen gerechtvaardigd belang aanwezig is, zijn - de opslag van persoonsgegevens door een particulier recherchebureau zonder concrete onderzoeksopdracht louter voor het geval omtrent die personen mogelijk alsnog een dergelijke opdracht wordt ontvangen; - het opslaan van klantgegevens terwijl de rekening reeds is betaald ter fine van direct marketing zonder dat concrete voornemens bestaan om op deze wijze een klantrelatie in stand te houden of waarbij de klant heeft laten weten daarin niet meer geïnteresseerd te zijn; - het bewaren van gegevens omtrent bezoekers van een pand terwijl deze reeds lang de instelling hebben verlaten en de gegevens niet meer van nut kunnen zijn om onregelmatigheden op te sporen omdat inmiddels is gebleken dat zich geen onregelmatigheden hebben voorgedaan.(II nr 6 , blz 34)
 

 

 

JURISPRUDENTIE

Verschaffen van parkeergegevens aan de Belastingdienst
Het parkeerbedrijf SMSParking moet parkeergegevens van klanten delen met de Belastingdienst. De rechtbank bepaalde eerder dat de Belastingdienst de privacy van gebruikers zou schenden als de parkeergegevens gedeeld zouden worden. Het hof erkent dat het overdragen van de parkeergegevens in strijd is met de privacy, maar het algemeen belang weegt zwaarder.
Gerechtshof ‘s-Hertogenbosch 19 augustus 2014, ECLI:NL:GHSHE:2014:2803
 

Ontheffingsbesluit in strijd met art. 8 Wbp (Scheefwonen)
De Wbp moet worden uitgelegd overeenkomstig art. 8 EVRM. Bij elke gegevensverwerking moet zijn voldaan aan de beginselen van proportionaliteit en subsidiariteit. Het ontheffingsbesluit van de staatssecretaris kan, mede gelet op deze beginselen, de toets aan art. 8 Wbp niet doorstaan.
Rechtbank Den Haag 13 april 2012, LJN: BW2236

 
Het verwerken van persoonsgegevens bij ontbreken van toestemming
Artikel 7, sub f, van richtlijn 95/46: bij ontbreken van toestemming van de betrokkene, is voor de mogelijkheid tot verwerking van diens persoonsgegevens vereist dat de fundamentele rechten en vrijheden van betrokkene niet worden geschonden, en dat de gegevens in voor het publiek toegankelijke bronnen zijn opgenomen.
EHvJ 24 november 2011, C-468/10 en C-469/10
 
Afgewezen verzoek van vader aan school op grond van art. 1:377c BW aan hem informatie over meerderjarig geworden dochter
Nu er niet is gesteld is dat de verstrekking van de gegevens noodzakelijk is, bijvoorbeeld met het oog op de verzorging, opvoeding of de emotionele ontwikkeling van de dochter, is er geen grond voor verstrekking van de gegevens over de dochter door de school en bovendien is de dochter inmiddels meerderjarig.
HR 27 maart 2009, LJN: BH1224
 
Anonimiseren van klachten
Artikel 8, aanhef en onder f vereist een concrete, op de omstandigheden van het geval, toegespitste belangenafweging, waarbij de bescherming van de privacy een rol kan en mag spelen maar niet zonder dat aan de hand van de omstandigheden van het geval is onderbouwd waarom aan dit belang een zodanige gewicht dient te worden toegekend.
CBB 22 januari 2009, LJN BH6932
 
Heimelijk cameratoezicht
Heimelijk cameratoezicht op nachtbuschauffeurs door werkgever, rechtmatig op grond van artikel 8 aanhef en onder f Wbp. Voldaan aan vereisten van noodzaak, proportionaliteit en subsidiariteit.
CRvB 10 juli 2008, LJN: BD8116
 
Verstrekken van lijst met werknemers van vakbonden
Vakbonden vorderen van een werkgever een afgifte van een lijst van werknemers en gewezen werknemers die onder de reiskostenregeling vallen. De vakbonden hebben een gerechtvaardigd belang bij hun vordering, omdat de controle op de naleving van door hen gesloten cao’s het bestaansrecht raakt van de bonden.
Rechtbank Utrecht 13 februari 2008, LJN: BC8781
 

Verstrekken NAW-gegevens van websitehouder door hosting provider aan betrokkene (Lycos/Pessers)
Verplichting van een hosting provider tot het verstrekken van de naam en het adres gegevens van een website houder aan een derde, die schade stelt te lijden als gevolg van een op de door die provider gehoste website gepubliceerde, anoniem geuite, ernstige beschuldiging.
HR 25 november 2005, LJN: AU4019

Ophangen foto winkeldief onrechtmatig
Het in een winkel ophangen van een foto van een winkeldief met daarbij de tekst: 'Deze vrouw heeft hier gestolen' is in strijd met artikel 8 van de Wbp.
Voorzieningenrechter Rechtbank Amsterdam 26 augustus 2004, LJN: AQ7877

Gegevens werknemers verstrekken ten einde hen te laten getuigen
Waarheidsvinding in een civiel geding tussen twee bedrijven kan een gerechtvaardigd belang zijn voor het verstrekken van persoonsgegevens van werknemers door het ene bedrijf aan het andere bedrijf, zodat deze hen als getuigen kan laten oproepen.
Hof 's-Hertogenbosch, sector civiel, 14 oktober 2003, LJN: AM7927

 
Gerechtvaardigd belang van een derde
Wanneer gegevens worden verwerkt ter behartiging van een gerechtvaardigd belang van een derde, vergt het belang van de betrokkene in de regel dat hij vooraf in de gelegenheid wordt gesteld bezwaar te maken tegen een dergelijke voorgenomen verstrekking. Indien de betrokkene bezwaar maakt, dient dit bezwaar meegewogen te worden in de afweging die de verantwoordelijke moet maken.
CBP 21 mei 2003, z2003-00214 

Verstrekking abonneegegevens aan een derde
Een bedrijf eist van een internetserviceprovider afgifte van NAW-gegevens van een abonnee. De internetserviceprovider weigert. Het bedrijf heeft onvoldoende geprobeerd op een andere, minder ingrijpende wijze de benodigde gegevens te verkrijgen.
Voorzieningenrechter Rechtbank Utrecht 9 juli 2002, LJN:AE5537

 
Informatieverstrekking over kredietwaardigheid door banken
Onrechtmatige daad, art. 6:162 BW. Zo de bank over informatie omtrent de credietwaardigheid van haar cliënt (een BV) beschikt, die zij niet aan de derde wenst te openbaren, zal zij zich in het algemeen ervan moeten onthouden welke informatie dan ook te verstrekken.
HR 10 december 1993, NJ 1994, 667, LJN: ZC1178