Vergroot contrast

Nadere invulling van de informatieplicht voor particuliere recherchebureaus  

Naar aanleiding van de resultaten uit het onderzoek bij verschillende particuliere recherchebureaus heeft het CBP een nadere concretisering gegeven van de informatieplicht, zoals die is vastgelegd in de Wet bescherming Persoonsgegevens.

Juridisch kader

Volgend uit artikel 33, 34 en 43 van de Wet bescherming persoonsgegevens (Wbp):

Indien persoonsgegevens worden verkregen op een andere wijze dan rechtstreeks van de onderzochte persoon, deelt de verantwoordelijke de betrokkene de informatie mede betreffende zijn identiteit en de doeleinden van de verwerking, tenzij de betrokkene hiervan op de hoogte is.

De verantwoordelijke kan het informeren van de onderzochte personen achterwege laten voor zover dit noodzakelijk is in het belang van:

- de voorkoming en vervolging van strafbare feiten;
- de rechten en vrijheden van andere dan de onderzochte personen; de verantwoordelijke en de opdrachtgever daaronder begrepen.

Volgend uit de ‘Gedragscode voor particuliere onderzoeksbureaus’, onder punt 8.1:

De informatieverstrekking kan achterwege blijven indien de verantwoordelijke op goede gronden mag aannemen dat de onderzochte personen daarvan op de hoogte zijn.

Werkwijze voor de particuliere recherchebureaus
Teneinde aan de vereisten van de Wbp te voldoen heeft het CBP concreet aangegeven dat de werkwijze van de particuliere recherchebureaus daarvoor ten minste de volgende elementen dient te bevatten.

  • De opdrachtgever dient expliciet op de informatieplicht te zijn gewezen. In de schriftelijke opdrachtbevestiging of overeenkomst, die in het onderzoeksdossier aanwezig moeten zijn, dient dit aspect duidelijk naar voren te komen.
  • In het onderzoeksdossier dient duidelijk kenbaar te zijn dat de betrokkene is geïnformeerd, door middel van een kopie van een brief aan betrokkene of, in het geval het recherchebureau een (confronterend) gesprek met de betrokkene heeft gevoerd, door een een gespreksverslag waaruit blijkt dat de betrokkene door het recherchebureau zelf is geïnformeerd.
  • Naar het oordeel van het CBP kan een recherchebureau uitsluitend op goede gronden aannemen dat een betrokkene ‘reeds op de hoogte’ is gesteld door de opdrachtgever, als hiervan een schriftelijk bewijs is overlegd aan het recherchebureau. Dat betekent concreet dat het recherchebureau een kopie van de brief waarin de betrokkene wordt geïnformeerd (of een kopie van een schriftelijke bevestiging van een mondeling gedane mededeling) moet hebben ontvangen van de opdrachtgever, voordat het recherchebureau kan aannemen dat de betrokkene ‘reeds op de hoogte ‘ is. Alleen het bestaan van een contractuele bepaling en/of een mededeling van de opdrachtgever dat de onderzochte persoon zal worden geïnformeerd is in dit kader onvoldoende, omdat dat het recherchebureau onvoldoende zekerheid biedt dat de opdrachtgever zijn toezegging daadwerkelijk is nakomen.
  • Een belangrijk uitgangspunt van de Wbp is dat de verantwoordelijke verplicht is een betrokkene op enig moment te informeren over de verwerking van zijn persoonsgegevens. Het niet informeren van een betrokkene met een beroep op artikel 43 sub e Wbp is alleen mogelijk in uitzonderlijke gevallen. De toepassing van deze uitzonderingsgrond is onderworpen aan het ‘noodzakelijkheidscriterium’. Dit criterium vereist een belangenafweging aan de hand van de omstandigheden van het concrete geval. Het recherchebureau zal per geval aannemelijk moeten kunnen maken dat het niet informeren van de betrokkene ‘noodzakelijk is in het belang van de bescherming van de betrokkene of van de rechten of vrijheden van anderen‘. De gemaakte belangenafweging (beoordeling en motivering) moet in het dossier duidelijk worden beschreven. Een algemeen argument dat een vertrouwensrelatie kan worden verstoord is, zonder concrete onderbouwing van het geval, onvoldoende grondslag voor een beroep op de uitzonderingsbepaling van artikel 43 sub e Wbp.

23 mei 2006, z2005-00633